‘Studentikoze openheid’
aanpak/methode 2006

Al wandelend over de St. Josephstraat, en de stad verlatend via de Oisterwijksebaan, maakt niets een grotere indruk dan de verscheidenheid.

 
We zijn hier aan de rand van de stad, de overgang van bebouwing naar bebossing. Dit dubbele woonvoordeel is natuurlijk al dikwijls oorzaak geweest van prominent aanwezige kasten van huizen. Toebehorend aan mensen die het voordeel willen genieten van de nabijheid van hartje centrum enerzijds, en het op loopafstand gelegen natuurgebied om de labrador even uit te laten anderzijds.
Wanneer we dichter bij de oostelijke rand van de stad komen, waar de huizen weer wat kleiner zijn, is de diversiteit niet zozeer te merken in de grootte, maar eerder in de functie van de gebouwen. Hoe verder we naar deze grens lopen, hoe meer het spook van de industriële identiteit van Tilburg oplost, en plaats lijkt te maken voor een andere identiteit. Misschien die van een studentenstad, want op de een of andere manier is het direct zichtbaar dat sommige woningen toebehoren aan studenten. En nog voordat het zich aandient waarom dat zo duidelijk is, zien we op nummer 174 een huis, met pal daarvoor buitenproportionele bomen. Een gesloten vesting in de vorm van een twee-onder-een kapper. De bomen, die praktisch het hele voortuintje in beslag nemen, staan bijna op gelijke hoogte met het dak, zowel letterlijk als figuurlijk.

Enkele passanten die wij ondervroegen gaven vol trots te kennen dat ze hier twintig jaar woonden, en dat er in de wijk een soort dorpsgevoel heerst, waarin iedereen elkaar kent. Een kleine kern net buiten de eigenlijke kern van Tilburg.
En veelal ziet het er binnen in de huizen netjes, verzorgd uit. De keurig golvende gordijnen en de accidentele antiquiteiten achter de ramen (vazen, scheepjes) scheppen orde. Orde die schril afsteekt tegen de chaotische, bevuilde straat waaraan zij liggen. Peuken liggen vertrapt en verregend in de naden van de stoep, afgestoken vuurwerk van de laatste jaarwisseling ligt nog steeds onopgemerkt in een bosje.

De epicentra van deze vervuiling bevinden zich, geheel volgens de vooroordelen, vooral in en rond de gebouwen die we al meteen identificeerden als studentenwoningen. Deze “verstudentisering” zorgt weliswaar voor een bruisende sfeer, maar houdt vaak ook in dat de bezem wat minder vaak gehanteerd wordt. Een vrouw die me foto’s ziet maken suggereert: “zet er ook bij dat het hier altijd zo’n rommel is!” En ik kan haar niet geheel ongelijk geven. De ruiten zijn in geen jaren gezeemd. Tuinen staan er gefossiliseerd bij: uitgedroogde planten, en stenen waar het maar kan. Ergens staan een aantal flessen drank statig geëtaleerd achter een raam, met de tekst “bar” erbij. Alsof gezegd wil worden: “kijk eens. Die hebben wij geledigd”.

Deze bijna openbare gebouwen, met mensen die in- en uitlopen, ademen de relaxte houding van het studentikoze stadsleven uit. En over de hele Josephstraat verspreid zien we tussen neus en lippen door een aantal van deze raadselachtige woningen. En dan, op de hoek van de Gerard de Bondtstraat, vinden we het prototype studentenhuis. Naast de naamplaatjes die aangeven wie er allemaal wonen, vinden we een bordje met de tekst “bij geen gehoor kloppen”, dat niet zou misstaan op de voordeur van Samson en Gert. Klaarblijkelijk zit men hier vaker in de huiskamer, achter de gezamelijke tv, dan op de studentenkamer, met de neus in de boeken. En alsof dat nog niet genoeg is lijken de bewoners besloten te hebben hun imago nóg wat meer te beklemtonen. De nutteloze betonblokken met fietsenstalling zijn bij de voordeur neergesmeten (“geleend” van de gemeente?).
Nee, deze huizen zijn geen privé-ruimtes, het zijn gedeelde gebouwen die “samen-leving” afdwingen van de mensen die erin wonen. En dit samenzijn gaat gepaard met de transit in het leven van de student: een overgang van het ouderlijke huis naar een eigen leven. Een periode waarin je met anderen een huis deelt. En we weten allemaal: het begrip “huis” houdt veel meer in dan alleen een dak boven je hoofd. Wasmachines, douches, toiletten, huiskamers, keukens, er blijft weinig ruimte over voor privacy. De interne afhankelijkheid van de bewoners onderling valt niet te betwisten: als iemand de afwas niet doet zit het hele huis zonder borden en bestek. Wat betreft de externe afhankelijkheid lijken deze bewoners echter de vinger naar iemand anders, zoals het stadsbestuur, te wijzen. Rommel op straat moet toch opgeruimd worden door de gemeente?

Deze tegenstelling geeft aan dat, ook bij deze semi-openbare studentenkamers, een soort egocentrisme blijft bestaan: het “mi casa su casa”-principe blijft beperkt tot het huis zelf, en het sociale “rekening houden met een ander” geldt niet voor de hele buurt. Het is de eerste stap in de richting van verdere opsplitsing van gezamelijk bezit naar privé-bezit, van een studentenhuis naar een eigen woning, iets wat voor velen zal volgen die de studie hebben afgerond (enkele “eeuwige collegeknapen” daargelaten).

Terug naar onze twee-onder-een kapper. Hier is de uitstraling van een heel ander kaliber. Er hangt een soort sluierwolk om het gebouw heen. Een heel reële, concrete sluierwolk, namelijk het loof van deze twee bomen. Nee, dit is allesbehalve een studentenwoning. Want naast de decoratieve functie zijn deze stukken gebladerte hét alternatief voor de ondoorzichtige strook plakplastic, of andersoortige blokkades op ooghoogte die we bij veel andere huizen terugzien. Binnengluurders worden op veilige afstand gehouden.
Aan de andere kant maakt zo’n boom het natuurlijk niet echt aantrekkelijk om even langs te wippen voor de thee; het paadje bij de voordeur is zelfs geblokkeerd. Al deze ontoegankelijkheid geeft het geheel een wat heimelijk beeld. Valt er hier soms iets te verbergen? Of misschien moet ik verhullen zeggen, want terwijl dit gebied vroeger dicht bij de fabriek lag, ligt het vandaag de dag dicht bij de kroegen en clubs. Wordt hier het zicht ontnomen aan passerende aangeschoten studenten, die om half vijf ’s nachts terugkeren van de Korte Heuvel? Of is het de “dreigende” groepsmentaliteit van diezelfde eensgezinde studenten, vervangers van de arbeiders die vroeger in dezelfde buurt woonden, die beangstigend werkt? Misschien contrasteert het sociale studentenleven téveel met het geïndividualiseerde leven in de stad.
Door die vervreemding hebben we een blokkade nodig. Een natuurlijke muur. Simpel, maar effectief. Welk een schril contrast vormen deze aan de straat gelegen huizen met de grote hekken voor de kasten van huizen die tussen deze wijk en het centrum in liggen. Daar is de particuliere grond netjes afgebakend van de openbare ruimte. Hier zijn die ondiepe, direct aan straat gelegen voortuintjes het enige wat de bewoners scheidt van de passant. De afscheidingen met de straat zijn schaars: het kleine, bijna schattige hekje dat we zo vaak voor een huis zien staan is als een “pas op voor de hond”-waarschuwing met een dwergpoedel eronder. Nee, wat dat betreft voldoen onze bomen beter aan de beschermende functie: het zijn letterlijk knoesten, met handen van gebladerte die alle letterlijke en figuurlijke blikken afweren. Maar deze beschermende metafoor voor de natuur doet meer. De bewoner vindt, temidden van de stenenmassa van de stad, in de rust van dit stukje natuur zijn huis terug.

De wijk kruipt de stad uit als een slang die zijn huid aan het afwerpen is, de huid van de textielindustrie om precies te zijn. Wanneer deze wijkrichting buitengebied kruipt zien we steeds frequenter een diversiteit aan verbouwde woningen. Daar wonen mensen die privé en omgeving het liefst gescheiden houden. En binnenin die wijk, vol tegenstellingen en verschillen, is onze twee-onder-één-kapper een vesting. Een scherm van vier muren dat middenin die diversiteit een eigen afgeschermd stukje wereld bezet.



 Tom van Nuenen
15-08-2006

reageer op deze tekst
meer weten over semiotiek?


 
 Bart Doreleyers
over de Koopboulevard Leyparc
over de AaBé-fabriek

 Irene Habets
over de historische tekens bij St Josephstraat 64a en omgeving
over de Koopboulevard Leyparc

 Jacolette Kloppers
over de St Josephstraat

 Nathan de Groot
over de St Josephstraat 51
over de Hoevenseweg

 Tom van Nuenen
over de Prinsenhoeven 5 (dealer)